Fritz Wunderlich, een onvergetelijke tenor

Fritz Wunderlich (Kusel 1930-Heidelberg 1966) was één van de bekendste lyrische tenoren uit Duitsland. Deze onvergetelijke zanger kwam uit een muzikaal gezin. Zijn vader Paul was cellist, kapelmeester en koordirigent. Anna, zijn moeder, was violiste en leider van het eerste vrouwenorkest in Duitsland.

Na een moeilijke jeugd (zijn vader pleegde zelfmoord toen Wunderlich vijf jaar was) ging hij in 1950 studeren bij de blinde Margarethe von Winterfeld aan het conservatorium van Freiburg. Wunderlich had een heldere stem met een bereik van ruim twee octaven. Hij begon zijn muzikale carrière als hoornist; later schreef hij zijn uitstekende adembeheersing toe aan zijn hoorntraining. Om zijn studie te bekostigen speelde Fritz amusementsmuziek (accordeon en trompet).

Verder zong hij in zijn studietijd veel voor de Duitse radiozender Südwestfunk in het orkest van dirigent Emmerich Smola. Zijn eerste grote successen dateren uit zijn laatste studiejaar, 1954. In een studentenproductie zong hij de rol van Tamino in de opera ‘Die Zauberflöte' van Wolfgang Amadeus Mozart en als Jan Janicki in Karl Millöckers operette ‘Der Bettelstudent’ in Freiburg. Direct aansluitend werd hij geëngageerd door de Staatsopera van Stuttgart; daarna kwam hij in 1958 bij de opera van Frankfurt en in 1960 bij die van München.

In 1956 trouwde hij met de harpiste Eva Jungnitsch. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Constanze (1957), Wolfgang (1959) en Barbara (1964). De familie woonde aanvankelijk in Stuttgart maar verhuisde later naar München.

Wunderlich behoorde samen met Rudolf Schock tot de weinige tenoren die vlot wisselden van serieus naar populair repertoire, van opera naar operette en zelfs naar populaire liedjes zonder zich te bekommeren om vulgariteit of kitsch. Op operettegebied bijvoorbeeld toonde Wunderlich zich al snel een waardig opvolger van Richard Tauber, zoals te horen valt uit een plaatopname als Caramello’s ‘Lagunelied’ uit Johann Strauss’ ‘Eine Nacht in Venedig’. Hij zette zijn fraaie stem met veel charme in, verleende de frasen persoonlijkheid en had een schijnbaar instinctief gevoel voor het specifieke Weense rubato. Daarnaast vielen een goede karakteruitbeelding en een duidelijk plezier in het zingen op. “Wanneer je operette zingt, kun je jezelf helemaal laten gaan”, zei hij ooit in een interview.

Muziek van Johann Sebastian Bach was Wunderlichs eerste liefde en vormde samen met Mozart de hoeksteen van zijn muzikale leven. Aan het eind van de jaren vijftig van de vorige eeuw werd hij binnengehaald als een ideale evangelist in de passies van Bach. Hij zong deze met een treffende directheid, een fraai gevoel voor tempo en voor kleuring. De grote intensiteit van momenten als Petrus’ ontkenning in de ‘Johannes Passion’ maakte dat zijn collega en vriend Hermann Prey opmerkte: “Je kon altijd de pijn voelen wanneer Wunderlich de rol van evangelist zong”.

Veel oude opnames van de passies waarin hij zong, klinken nu gedateerd. Wat dat betreft is de ‘Matthäus Passion’ onder Karl Münchinger, waarin Wunderlich met onuitputtelijke ademvoorraad lijkt te zingen, acceptabeler dan het tijdens het Bachfeest 1956 in Ansbach uitgevoerde ‘Weihnachtsoratorium’ onder Karl Richter op Archiv.

Muziekliefhebbers op het gebied van authentieke uitvoeringspraktijken zullen misschien bezwaren hebben tegen Joseph Haydns oratorium ‘Die Schöpfung’ in de versie onder dirigent Herbert von Karajan, maar op zichzelf is het een prachtvertolking. De opname moest na Wunderlichs overlijden worden afgemaakt; Werner Krenn nam zijn rol over voor een recitatiefpassage. Maar Wunderlichs soli zijn superieur en zijn rol als de engel Uriel is nog steeds een toonbeeld van perfectie: stralend, dramatisch, levendig, nobel gefraseerd en de helse geesten met een voor een lyrische tenor ongekend diepe toon uitbannend.

Wunderlich werd ook geprezen om zijn liedkunst. Na een ietwat moeilijke start in de liedkunst (zijn eerste recitals kregen slechte recensies) ging hij in de leer bij pianist Hubert Giesen. Er volgden platenopnames waarvan ‘Dichterliebe’ van Schumann als klassiek voorbeeld voor veel liedzangers wordt beschouwd.
Na zijn internationale doorbraak als Henry Morosus in Richard Strauss' opera ’Die Schweigsame Frau’ onder Karl Böhm tijdens het Salzburg festival in 1959 volgden er meer opera’s van deze componist, zoals ‘Daphne’ en ‘Die Frau ohne Schatten’.

1959 is ook het jaar waarin hij een contract bij EMI in de wacht sleepte. Uitschieters daaronder zijn de met veel gevoel voor pathos en nostalgie gezongen grote aria van Lensky uit Pjotr Tschaikovsky’s opera ‘Jevgeni Onegin’ en brokken uit Friedrich von Flotows opera ‘Martha’, heel luchtig en charmant gedaan. Wie geen bezwaar heeft tegen Duits in Giacomo Puccini’s opera ‘La Bohème’ raakt onder de indruk van Wunderlichs rol als Rodolfo: geweldig gepassioneerde voordracht, zeldzaam fraai van toon. Dat er maar zo weinig volledige officiële studio-opnames met operarepertoire van Wunderlich zijn, is goeddeels te wijten aan het feit dat hij gedurende zijn contract bij EMI aan die maatschappij gebonden was in de periode 1959 tot 1964. De meeste tenorrollen waren trouwens al ‘vergeven’ aan Nicolai Gedda en Luigi Alva.
Vanaf Wunderlichs uitvoering van Gustav Mahlers ‘Lied von der Erde’ tijdens de Wiener Festwochen in 1960 met dirigent Herbert von Karajan, bleef dit werk op zijn repertoire en hij nam het op in 1964 onder dirigent Klemperer. Het is – mede dankzij Christa Ludwig – nog steeds een van de mooiste uitgaven van dat werk. Achteraf merkte Wunderlich hierover op dat het een bijzondere ervaring was om te leren hoe je Mahler zo makkelijk kon zingen.

In 1963 krijgt hij een engagement aan de Weense Staatsopera en in 1964 stapte hij van EMI over naar DG. Pas toen Wunderlich in 1964 bij Deutsche Grammophon onder contract kwam, ontstonden meer volledige opera-opnamen. Als eerste zong hij in Wenen ‘Daphne’ van Strauss onder leiding van Karl Böhm; een opname waarin hij een felle lyriek weet te leggen in de sadistische rol van Leukippos. In die tijd werd hij zowel door Von Karajan als door Wieland Wagner voor heel verschillende Wagnerprojecten gevraagd, maar hij weigerde. De tragische ironie van het lot wil dat hij zich niet voor zijn vijfendertigste aan dergelijke zware rollen wilde wagen. Wie weet had hij zich in een langer leven ook gewaagd aan de rol van Florestan in Beethovens ‘Fidelio’ en Max in Carl Maria von Webers romantische opera ‘Freischütz’.

Maar zoals gezegd: het zwaartepunt van Wunderlichs operarepertoire lag in het werk van Mozart. In 1963 zong hij Don Ottavio in ‘Don Giovanni’ onder leiding van Herbert von Karajan. Verder zong hij Ferrando in de opera ‘Così fan tutte’, Belmonte in ‘Die Entführung aus dem Serail’ en Tamino in ‘Die Zauberflöte’. Zijn Tamino, in de prachtige opname van Böhm, behoort ook tot zijn mooiste prestaties; vurig en heroïsch. Wunderlich zong Tamino voor het laatst tijdens het Edinburgh festival 1966. Van een debuut als Don Ottavio in Mozarts ‘Don Gionovanni’ aan de Metropolitan Opera in New York, oktober van dat jaar, is het niet meer gekomen. Op 17 september viel hij van een trap in de jachthut van zijn vriend Gottlob Frick. Hij liep daarbij een schedelbasisfractuur op waaraan hij de volgende dag in een ziekenhuis in Heidelberg overleed.
Na zijn overlijden werd hij betreurd als de grootste Duitse lyrische tenor van zijn generatie en als de enig ware opvolger van Richard Tauber en Peter Anders. Luciano Pavarotti was een groot bewonderaar van Wunderlich en noemde hem een van de grootste tenoren uit de geschiedenis. Dietrich Fischer-Dieskau sprak namens velen toen hij Wunderlich omschreef als ‘een klasse apart’. Zonder veel overdrijving werd hij in de Duitse pers als 'unersetzlich' (onvervangbaar) omschreven.

Er zijn teveel radio-en plaatopnames om allemaal te noemen. En er verschijnen steeds meer op CD, zowel in het witte als in het grijze circuit. Een compleet overzicht van opnamen met en van Fritz Wunderlich is via deze blog te downloaden.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen